Zo zit je nog te genieten van het laatste boek uit de “Kurt Wallander” reeks van Henning Mankell, zo zit je achter je pc te zoeken naar huisjes op het platteland en een gezinshond....
Dat vraagt enige toelichting, realiseer ik me. Jullie weten dat ik door het lezen van Zweedse boeken (en het zien van Zweedse films) helemaal into het land en de taal ben. “As it is in heaven”, wat een mooie film! Met in de hoofdrol dezelfde acteur als in die andere fantastische films (hoewel van een heel ander kaliber): Millennium I, II en III. Ik ben al op zoek geweest naar van die Zweedse taalreizen voor van de zomer, maar ik vrees dat ik mijn mannen niet mee krijg. Of eigenlijk weet ik dat van de enige volwassen man in het gezelschap wel zeker. Zelfs een “gewone” zomervakantie zit er voorlopig niet in. Veel te veel kans op regen, slecht weer en een overdosis natuur (voor mij dan) met als neveneffect een hoge mate van chagerijnigheid. En dat kan ik eigenlijk alleen maar beamen. Misschien is mijn beeld van het land ook wel veel mooier dan de werkelijkheid, ook best jammer om dat te verpesten, niet waar?
En nu las ik dus over Kurt Wallander, die zijn appartement aan de Mariagatan in Ystad verlaat en een huisje koopt op het Zweedse platteland. Dat vraagt natuurlijk om een hond en twee weken later heeft hij een zwarte Labradorpup in huis, Jussi.
En voor ik het wist zat ik op Funda te zoeken naar een huisje op het platteland en te googelen naar een gezinshond. En ik heb er 1 gevonden hoor! Een hond dan, geen huis.... Een Beagle wordt het (en natuurlijk noemen we hem Darwin). Niet al te groot, kortharig en scherpzinnig. Een vriendelijke, enthousiaste hond, die graag met kinderen omgaat en echt deel uit gaat maken van het gezin. Vrolijk en eigenwijs, een jachthondje dat veel beweging nodig heeft. En waar kan dat beter dan op het platteland!
A. ziet de bui al hangen. Hij wil helemaal geen hond. En ik eigenlijk ook niet. Al helemaal niet omdat we niet op het platteland wonen. Maar een beetje dromen kan nooit kwaad, vind je ook niet?
En oh, wat erg! Kurt Wallander stopt ermee. Aan het eind van De gekwelde man blijkt dat dit het laatste verhaal in de reeks van Kurt Wallander is.
Kurt, onze politierechercheur, is inmiddels bijna zestig. Een gescheiden man, nurks en introvert, erg gesteld op zijn privacy. Maar ondanks zijn weinig toegankelijke aard toch een man om van te houden, helemaal na al die jaren dat ik hem gevolgd heb. Een tip: lees zijn boeken in chronologische volgorde, dan volg je ook zijn leven en dat is het leukst.
In De gekwelde man komt de dochter van Kurt, Linda, met het blijde nieuws dat ze een kind krijgt. Dit is een grote verrassing voor Kurt die niet wist dat Linda, politie-agente bij hetzelfde korps, überhaupt een partner had. Die heeft ze, voor nu in ieder geval, Hans von Enke. Deze bankier (of belegger, hij doet in ieder geval iets met veel geld) is een zoon uit een gegoede familie. Vader is een gepensioneerde kapitein-luitenant-ter-zee (bevelvoerder op onderzeeërs) en moeder lerares Duits. Op het eerste gezicht een familie die helemaal niet bij de Wallanders past, maar toch blijken ze uitstekend met elkaar overweg te kunnen.
Op zijn 75e verjaardag neemt Håkan, de vader van Hans, Kurt even apart. Hij is duidelijk bezorgd en angstig. Waarover, dat blijft in het midden. Vlak daarna verdwijnt Håkan van de aardbodem. Als een aantal maanden later ook zijn vrouw Louise verdwijnt zonder enig spoor achter te laten, wordt het wel heel spannend.
Officieel zit Wallander niet op deze zaak, maar omdat het de schoonouders van zijn dochter betreft, kan hij het niet los laten. En uiteraard weet hij het uiteindelijk op te lossen. Het is een prachtig spionageverhaal, met de oorsprong in de Koude Oorlog.
Een pageturner, niet alleen door het spannende verhaal van de verdwijning van de Von Enke’s, ook (en vooral) door de innerlijke reis van Kurt. Hij wordt oud en is bang voor de gebreken die dit met zich meebrengt. Hij weet eindelijk afscheid te nemen van het verleden (van Mona, zijn ex-vrouw), hij geeft zijn grote geliefde Baiba de plek in zijn hart die ze verdient en is ontroerd door de geboorte van zijn kleindochter. En als de cirkel dan rond is, neemt hij afscheid van ons. Op een manier die hij zelf niet verkozen heeft.
Bij mooie boeken vind ik het altijd jammer dat ze uit zijn. Eerst zo snel mogelijk lezen om te weten hoe het afloopt, daarna balen dat je zo snel hebt gelezen en het alweer voorbij is. Wat jammer dat er nu geen nieuwe avonturen van Kurt meer bijkomen. Maar wat heb ik van hem genoten!
zondag 8 april 2012
zaterdag 31 maart 2012
Vaslav - Arthur Japin
Vaslav Nijinsky is één van de grootste mannelijke balletdansers uit de geschiedenis. De man die bekend stond om zijn sprongen die de zwaartekracht tartten. En Arthur Japin heeft deze persoon als uitgangspunt genomen voor zijn roman “Vaslav”.
Zo knap vind ik het altijd als iemand een roman weet te schrijven over een persoon die echt heeft bestaan, zonder dat het een saai geschiedenis boek wordt. Arthur Japin is hier heel erg goed in geslaagd. Een erg mooi boek, waarin het verhaal van Vaslav wordt verteld door 3 mensen uit zijn naaste omgeving: zijn bediende Peter, zijn mecenas en vroegere minnaar Sergej Diaghilev en zijn vrouw Romola. Drie erg verschillende perspectieven, heel verrassend, die mij in eerste instantie totaal op het verkeerde been zetten.
Uiteraard moet ik door dit boek weer denken aan mijn eigen - korte - ballet carrière. Ja, ik weet het. De mensen die mij kennen zullen mij niet meteen associëren met gracieus en bevallig. Dorine die aan ballet doet, da’s een contradictio in terminis. Zoals een Andries Knevel die grappig is of een Barbie die slim is. Want lenig ben ik nooit geweest en lichtvoetig ook niet. En toch was ik er rond mijn 7-de zwaar van overtuigd dat ik op ballet moest. Samen met vriendin C. Picture this: allemaal van die kleine, lieve, tengere meisjes in roze tutu-tjes. Sierlijk door de ruimte dansend. En C. en ik, in een zwarte turnbroek, 3 koppen groter dan de rest, hoempapa-end door de gymzaal. Het is dat mijn moeder de regel had dat als er een jaar voor een sport betaald was, ik het ook een jaar vol moest houden....
Vaslav is zowel de grootste balletdanser van zijn tijd, als een erg eigenzinnige man. Totaal zonder gene voor wat dan ook, authentiek in zijn liefde voor de wereld in zijn algemeenheid en anders dan elke andere man van stand. Door Diaghilev, met wie hij een al dan niet vrijwillige relatie had, groot gemaakt. Als hij later de jonge vrouw Romola verkiest boven Diaghilev en met haar trouwt, weert Diaghilev hem van de een op de andere dag bij zijn ballet. En vindt Vaslav ook elders geen emplooi meer.
De eerste wereldoorlog komt en gaat en Vaslav en Romola hebben het erg moeilijk om te overleven. In 1919, op de resten van de oorlog, weet Romola een optreden voor hem te organiseren bij een bijeenkomst van het Rode Kruis. Ze pakt het groots aan, in de hoop Vaslav zijn oude roem terug te geven. Hij danst een ongelooflijke voorstelling, totaal anders dan de mensen van hem gewend zijn en besluit dan voor altijd te stoppen met dansen. “Nu is het kleine paardje moe”, laat hij zijn publiek weten.
Zijn bediende Peter had het al een tijd aan zien komen en had ook Romola gewaarschuwd: het ging niet goed met Vaslav. Als Vaslav niet alleen blijkt te zijn gestopt met dansen, maar ook met praten, weet de medische stand al snel wat er aan de hand is: hij lijdt aan een geestesziekte. Of dat ook inderdaad zo is of dat Vaslav een verlicht persoon blijkt te zijn, blijft in het midden.
Een intrigerend boek. Met zinnen die blijven hangen. Kennen jullie het onderdeel ‘De regel die je raakt’ in het muziekprogramma Rabradio op 3FM? Daar is een luisteraar aan het woord, die vertelt welke regel uit welk lied hem/haar raakt en waarom. Grappig dat een regel of een stukje tekst je kan raken, zonder dat de context er persé toe doet. Ook in dit boek zit er weer een aantal:
“Rond die tijd droogden ze ook op, onze plannen voor de toekomst, of als mijn broer ze nog altijd koesterde, dan hield hij ze in elk geval verder voor zich. Zoals ik dat deed. Om mijn ouders niet te kwetsen. Met iedere toekomstdroom verraadt een kind zijn ouders, alsof hun leven hem te min is. Hoe dan ook, ik concentreerde me op wat ik had en begon, net zoals zij, de lof te zingen van het vele dat wij wél onder handbereik hadden.” p. 48
Peter, de jongen die opgroeit in een hoog bergdorp en nooit eens “naar beneden” gaat. Die vanaf zijn geboorte al gekoppeld is aan de dochter van zijn vaders beste vriend, die tevreden moet zijn met wat hij heeft. Maar door zijn contacten met Vaslav krijgt hij een andere kijk op de wereld, komt hij erachter dat hij wel verder wil kijken dan de bergtoppen, wel meer wil meemaken dan hetgeen hij leert uit de verhalen van de mondaine gasten in Sankt Moritz. Waarmee hij iedereen om hem heen moet verraden: zijn broer, zijn ouders, zijn geliefde Lise.
“Zonder schaamte is er schijnbaar geen schandaal.” p. 103
Vaslav heeft voordat hij trouwde een seksuele relatie met een andere man, Diaghilev. En hij praat daar zonder enige gene of schaamte over. Dat was zoals het was, het hoorde bij hem en is niets om zich voor te schamen. Waardoor ook andere mensen langzamerhand inzien dat er niets overblijft om besmuikt over te lachen, om ongemakkelijk over te zijn.
Prachtig vind ik de manier waarom Japin de verschillende kanten van de karakters laat zien. Vaslav, niet alleen virtuoos en bijzonder, maar ook totaal onhandig in de “echte” wereld. Romola, die zonder echt talent het balletgezelschap weet binnen te dringen om Vaslav te veroveren. Waardoor ze door iedereen verguisd wordt. Maar ook een vrouw, die tot diep in haar hart van haar man houdt. Die geniet van zijn roem en aanzien, maar die hem ook jarenlang verzorgt als hij niet meer zichzelf kan zorgen. Diaghilev, een man bij wie alles dat hij aanraakt in goud verandert. Succesvol en rijk, maar ook eenzaam en niet in staat zich voor langere tijd te verbinden aan iets of iemand.
Na deze roman met diepere lagen, volgende week weer een heerlijke weglezer over Kurt Wallander van Henning Mankell. Minder diep misschien, maar altijd prachtig.
Zo knap vind ik het altijd als iemand een roman weet te schrijven over een persoon die echt heeft bestaan, zonder dat het een saai geschiedenis boek wordt. Arthur Japin is hier heel erg goed in geslaagd. Een erg mooi boek, waarin het verhaal van Vaslav wordt verteld door 3 mensen uit zijn naaste omgeving: zijn bediende Peter, zijn mecenas en vroegere minnaar Sergej Diaghilev en zijn vrouw Romola. Drie erg verschillende perspectieven, heel verrassend, die mij in eerste instantie totaal op het verkeerde been zetten.
Uiteraard moet ik door dit boek weer denken aan mijn eigen - korte - ballet carrière. Ja, ik weet het. De mensen die mij kennen zullen mij niet meteen associëren met gracieus en bevallig. Dorine die aan ballet doet, da’s een contradictio in terminis. Zoals een Andries Knevel die grappig is of een Barbie die slim is. Want lenig ben ik nooit geweest en lichtvoetig ook niet. En toch was ik er rond mijn 7-de zwaar van overtuigd dat ik op ballet moest. Samen met vriendin C. Picture this: allemaal van die kleine, lieve, tengere meisjes in roze tutu-tjes. Sierlijk door de ruimte dansend. En C. en ik, in een zwarte turnbroek, 3 koppen groter dan de rest, hoempapa-end door de gymzaal. Het is dat mijn moeder de regel had dat als er een jaar voor een sport betaald was, ik het ook een jaar vol moest houden....
Vaslav is zowel de grootste balletdanser van zijn tijd, als een erg eigenzinnige man. Totaal zonder gene voor wat dan ook, authentiek in zijn liefde voor de wereld in zijn algemeenheid en anders dan elke andere man van stand. Door Diaghilev, met wie hij een al dan niet vrijwillige relatie had, groot gemaakt. Als hij later de jonge vrouw Romola verkiest boven Diaghilev en met haar trouwt, weert Diaghilev hem van de een op de andere dag bij zijn ballet. En vindt Vaslav ook elders geen emplooi meer.
De eerste wereldoorlog komt en gaat en Vaslav en Romola hebben het erg moeilijk om te overleven. In 1919, op de resten van de oorlog, weet Romola een optreden voor hem te organiseren bij een bijeenkomst van het Rode Kruis. Ze pakt het groots aan, in de hoop Vaslav zijn oude roem terug te geven. Hij danst een ongelooflijke voorstelling, totaal anders dan de mensen van hem gewend zijn en besluit dan voor altijd te stoppen met dansen. “Nu is het kleine paardje moe”, laat hij zijn publiek weten.
Zijn bediende Peter had het al een tijd aan zien komen en had ook Romola gewaarschuwd: het ging niet goed met Vaslav. Als Vaslav niet alleen blijkt te zijn gestopt met dansen, maar ook met praten, weet de medische stand al snel wat er aan de hand is: hij lijdt aan een geestesziekte. Of dat ook inderdaad zo is of dat Vaslav een verlicht persoon blijkt te zijn, blijft in het midden.
Een intrigerend boek. Met zinnen die blijven hangen. Kennen jullie het onderdeel ‘De regel die je raakt’ in het muziekprogramma Rabradio op 3FM? Daar is een luisteraar aan het woord, die vertelt welke regel uit welk lied hem/haar raakt en waarom. Grappig dat een regel of een stukje tekst je kan raken, zonder dat de context er persé toe doet. Ook in dit boek zit er weer een aantal:
“Rond die tijd droogden ze ook op, onze plannen voor de toekomst, of als mijn broer ze nog altijd koesterde, dan hield hij ze in elk geval verder voor zich. Zoals ik dat deed. Om mijn ouders niet te kwetsen. Met iedere toekomstdroom verraadt een kind zijn ouders, alsof hun leven hem te min is. Hoe dan ook, ik concentreerde me op wat ik had en begon, net zoals zij, de lof te zingen van het vele dat wij wél onder handbereik hadden.” p. 48
Peter, de jongen die opgroeit in een hoog bergdorp en nooit eens “naar beneden” gaat. Die vanaf zijn geboorte al gekoppeld is aan de dochter van zijn vaders beste vriend, die tevreden moet zijn met wat hij heeft. Maar door zijn contacten met Vaslav krijgt hij een andere kijk op de wereld, komt hij erachter dat hij wel verder wil kijken dan de bergtoppen, wel meer wil meemaken dan hetgeen hij leert uit de verhalen van de mondaine gasten in Sankt Moritz. Waarmee hij iedereen om hem heen moet verraden: zijn broer, zijn ouders, zijn geliefde Lise.
“Zonder schaamte is er schijnbaar geen schandaal.” p. 103
Vaslav heeft voordat hij trouwde een seksuele relatie met een andere man, Diaghilev. En hij praat daar zonder enige gene of schaamte over. Dat was zoals het was, het hoorde bij hem en is niets om zich voor te schamen. Waardoor ook andere mensen langzamerhand inzien dat er niets overblijft om besmuikt over te lachen, om ongemakkelijk over te zijn.
Prachtig vind ik de manier waarom Japin de verschillende kanten van de karakters laat zien. Vaslav, niet alleen virtuoos en bijzonder, maar ook totaal onhandig in de “echte” wereld. Romola, die zonder echt talent het balletgezelschap weet binnen te dringen om Vaslav te veroveren. Waardoor ze door iedereen verguisd wordt. Maar ook een vrouw, die tot diep in haar hart van haar man houdt. Die geniet van zijn roem en aanzien, maar die hem ook jarenlang verzorgt als hij niet meer zichzelf kan zorgen. Diaghilev, een man bij wie alles dat hij aanraakt in goud verandert. Succesvol en rijk, maar ook eenzaam en niet in staat zich voor langere tijd te verbinden aan iets of iemand.
Na deze roman met diepere lagen, volgende week weer een heerlijke weglezer over Kurt Wallander van Henning Mankell. Minder diep misschien, maar altijd prachtig.
vrijdag 16 maart 2012
Van alles wat deze keer
Ik ben een excuus verschuldigd aan de familie Terlouw. Een paar weken geleden schreef ik dat hun boek De Charmeur best leuk en aardig was, maar dat het feit dat ik er pas halverwege achterkwam dat ik het al eens gelezen had, niet echt een compliment is.
Maar wat blijkt nu: het ligt helemaal niet aan hen! Het is ongelooflijk, maar de laatste weken heb ik het nog 2 keer gehad. Eén keer met “De rode wolf” van Liza Marklund (echt zéker was ik er van dat ik deze uit de Annika Bengtzon reeks nog niet kende) en een keer met “Vriendendienst” van Donna Leon. Beide keren helemaal blij in de bibliotheek (hé, eentje uit de reeks die ik nog niet ken! Wat leuk! Snel naar huis om te lezen). En beide keren sijpelde pas na een hele tijd lezen langzaamaan het besef binnen dat ik het al kende. “Maarruh..... hé.... dit wist ik al.....”. Niet te geloven! Lees ik te veel? Te snel? Niet aandachtig genoeg? Teveel boeken uit dezelfde reeks? Is het de leeftijd? Geen idee. Maar een welgemeend excuus aan Jan en Sanne Terlouw is wel op zijn plaats. Dusse.... sorry!
Hoewel ik iets minder blog dan in het begin, lees ik nog wel net zo veel. Prachtig was “Logboek van een onbarmhartig jaar” van Connie Palmen. Zo rauw, zo pijnlijk, zo persoonlijk, dat ik er niets over kon schrijven. Hoewel slecht ontvangen door de pers, heeft het mij erg geraakt. Maar te persoonlijk, teveel van Connie Palmen om er iets zinnigs over te kunnen schrijven. Misschien is dat ook wel inherent aan rouw: te persoonlijk om te veralgemeniseren.
In “Vriendendienst” van Donna Leon gaat Brunetti deze keer op zoek naar het verband tussen de moord op een medewerker van het kadaster, de dood van een jonge student en de moord op een stel junks. Ik heb het nog niet helemaal uit en weet ook niet meer hoe het afloopt (wel heel geestig, gezien het feit dat ik het al eens gelezen heb), maar één stukje raakte me recht in mijn buik. Dat is wanneer Brunetti de jonge student dood heeft gevonden en hij moet denken aan hoe diens moeder zich moet voelen:
“Nee signora, uw Marco zal geen problemen meer ondervinden, maar uzelf zult de rest van uw leven te kampen krijgen met verlies en pijn, en met het afschuwelijke gevoel dat u tegenover deze jongen te kort bent geschoten. En ongeacht hoezeer u ervan overtuigd bent dat u er niet verantwoordelijk voor was, de zekerheid dat u dat wel bent, zal altijd overheersen en de boventoon voeren”. p. 132
“Jetset” van Marion Pauw heb ik ook gelezen. Eerlijk gezegd vond ik er niet zoveel aan. Maar misschien moet ik haar nog een kans gunnen; samen met Saskia Noort, Simone van der Vlugt en Esther Verhoef hoort ze toch wel in het rijtje thrillerschrijfsters van de Lage Landen. Wellicht ben ik gewoon een beetje “thriller-moe”?
En last-but-not-least: “Ja-maar, wat als alles lukt?” van Berthold Gunster. Leuk leuk leuk weer. Met een paar prachtige uitspraken waarvan ik me voorneem om ze te integreren in mijn dagelijkse leven:
“Verder kunnen we ons voornemen minder snel een mening te hebben, open te staan voor het tegendeel - misschien draait de aarde om de zon - en inzien dat we de werkelijkheid niet altijd hóéven te begrijpen. (…...) Neem een situatie in alle rust waar zonder er meteen een mening of oordeel over te vormen. “ p. 95
En
“Is dat eerlijk? Nee. Het leven is per definitie oneerlijk. Je daartegen verzetten is nutteloos. Verspilde energie. We hebben het ermee te doen”. p. 101
En
“Byron Katie zegt daarover: ‘Het enige moment waarop we lijden is als we een gedachte geloven die in strijd is met dat wat is. Ik ben een liefhebber van wat is. Niet omdat ik een spiritueel mens ben, maar omdat het pijn doet als ik vecht tegen de realiteit. Als je wilt dat de realiteit anders is dan zij is kun je net zo goed proberen een kat te laten blaffen. Je kunt het blijven proberen en uiteindelijk zal de kat je aankijken en”miauw” zeggen. Als ik mezelf tegen de realiteit verzet verlies ik. Altijd.’” p. 265
In februari ben ik met M. en M. naar het seminar van “Ja-Maar” geweest. Man wat had ik er zin in, de hele dag had ik me er op verheugd. En wat zijn zijn boeken goed en wat voegt het seminar weinig toe. Van dat geld kun je dus beter een paar boeken kopen!
Ik weet het, een beetje een ratjetoe deze week. Maar volgende week zie ik jullie weer, dan met “Vaslav” van Arthur Japin. Tot dan!
Maar wat blijkt nu: het ligt helemaal niet aan hen! Het is ongelooflijk, maar de laatste weken heb ik het nog 2 keer gehad. Eén keer met “De rode wolf” van Liza Marklund (echt zéker was ik er van dat ik deze uit de Annika Bengtzon reeks nog niet kende) en een keer met “Vriendendienst” van Donna Leon. Beide keren helemaal blij in de bibliotheek (hé, eentje uit de reeks die ik nog niet ken! Wat leuk! Snel naar huis om te lezen). En beide keren sijpelde pas na een hele tijd lezen langzaamaan het besef binnen dat ik het al kende. “Maarruh..... hé.... dit wist ik al.....”. Niet te geloven! Lees ik te veel? Te snel? Niet aandachtig genoeg? Teveel boeken uit dezelfde reeks? Is het de leeftijd? Geen idee. Maar een welgemeend excuus aan Jan en Sanne Terlouw is wel op zijn plaats. Dusse.... sorry!
Hoewel ik iets minder blog dan in het begin, lees ik nog wel net zo veel. Prachtig was “Logboek van een onbarmhartig jaar” van Connie Palmen. Zo rauw, zo pijnlijk, zo persoonlijk, dat ik er niets over kon schrijven. Hoewel slecht ontvangen door de pers, heeft het mij erg geraakt. Maar te persoonlijk, teveel van Connie Palmen om er iets zinnigs over te kunnen schrijven. Misschien is dat ook wel inherent aan rouw: te persoonlijk om te veralgemeniseren.
In “Vriendendienst” van Donna Leon gaat Brunetti deze keer op zoek naar het verband tussen de moord op een medewerker van het kadaster, de dood van een jonge student en de moord op een stel junks. Ik heb het nog niet helemaal uit en weet ook niet meer hoe het afloopt (wel heel geestig, gezien het feit dat ik het al eens gelezen heb), maar één stukje raakte me recht in mijn buik. Dat is wanneer Brunetti de jonge student dood heeft gevonden en hij moet denken aan hoe diens moeder zich moet voelen:
“Nee signora, uw Marco zal geen problemen meer ondervinden, maar uzelf zult de rest van uw leven te kampen krijgen met verlies en pijn, en met het afschuwelijke gevoel dat u tegenover deze jongen te kort bent geschoten. En ongeacht hoezeer u ervan overtuigd bent dat u er niet verantwoordelijk voor was, de zekerheid dat u dat wel bent, zal altijd overheersen en de boventoon voeren”. p. 132
“Jetset” van Marion Pauw heb ik ook gelezen. Eerlijk gezegd vond ik er niet zoveel aan. Maar misschien moet ik haar nog een kans gunnen; samen met Saskia Noort, Simone van der Vlugt en Esther Verhoef hoort ze toch wel in het rijtje thrillerschrijfsters van de Lage Landen. Wellicht ben ik gewoon een beetje “thriller-moe”?
En last-but-not-least: “Ja-maar, wat als alles lukt?” van Berthold Gunster. Leuk leuk leuk weer. Met een paar prachtige uitspraken waarvan ik me voorneem om ze te integreren in mijn dagelijkse leven:
“Verder kunnen we ons voornemen minder snel een mening te hebben, open te staan voor het tegendeel - misschien draait de aarde om de zon - en inzien dat we de werkelijkheid niet altijd hóéven te begrijpen. (…...) Neem een situatie in alle rust waar zonder er meteen een mening of oordeel over te vormen. “ p. 95
En
“Is dat eerlijk? Nee. Het leven is per definitie oneerlijk. Je daartegen verzetten is nutteloos. Verspilde energie. We hebben het ermee te doen”. p. 101
En
“Byron Katie zegt daarover: ‘Het enige moment waarop we lijden is als we een gedachte geloven die in strijd is met dat wat is. Ik ben een liefhebber van wat is. Niet omdat ik een spiritueel mens ben, maar omdat het pijn doet als ik vecht tegen de realiteit. Als je wilt dat de realiteit anders is dan zij is kun je net zo goed proberen een kat te laten blaffen. Je kunt het blijven proberen en uiteindelijk zal de kat je aankijken en”miauw” zeggen. Als ik mezelf tegen de realiteit verzet verlies ik. Altijd.’” p. 265
In februari ben ik met M. en M. naar het seminar van “Ja-Maar” geweest. Man wat had ik er zin in, de hele dag had ik me er op verheugd. En wat zijn zijn boeken goed en wat voegt het seminar weinig toe. Van dat geld kun je dus beter een paar boeken kopen!
Ik weet het, een beetje een ratjetoe deze week. Maar volgende week zie ik jullie weer, dan met “Vaslav” van Arthur Japin. Tot dan!
vrijdag 2 maart 2012
De gebroeders Leeuwenhart - Astrid Lindgren
Een kinderboek deze keer, een heel mooi kinderboek. Ik heb het vaak gelezen, als kind en ook als volwassene. Naast alle prachtige boeken van Astrid Lindgren mijn absolute favoriet.
Een aantal weken geleden las ik dat er in het theater bij ons in het dorp een kindervoorstelling over De gebroeders Leeuwenhart zou komen. Leuk, dacht ik. Waarna ik natuurlijk geen kaartjes bestelde. Want te druk, teveel gedoe, te.... Toen ik het er toch nog eens over had met buurvrouw M én er die week flyers in de bibliotheek lagen, werd ik toch wel erg enthousiast en bestelde ik drie kaartjes: voor mij en voor zonen W en S.
Helemaal blij werd ik er van. Dat moesten de jongens horen! “Oh....wel een beetje saai, een theater....”. En (nog veel erger): “Maar dan missen we Top Gear op TV!”. Wat een cultuurbarbaren die jongens van mij...
Maar daar gingen we uiteindelijk toch, vorige week vrijdagavond. W, S en ik. Toch wel een beetje opgewonden alle drie. W en S vooral vanwege de cola die in het vooruitzicht was gesteld, ik omdat ik hoopte dat de voorstelling mijn herinneringen eer aan zou doen.
En wat was het mooi! Vijf kwartier lang hebben we gefascineerd zitten kijken naar 5 acteurs die met slechts een paar hulpmiddelen en een pop een fantastische voorstelling neerzetten. Magisch en wonderlijk. Prachtig! Zo levensecht, dat op het eind, bij het gevecht tussen de draak Katla en de reuzenslang Karm S snel van stoel wisselde met W, zodat hij naast mij kon zitten. Toch wel een beetje eng!
De gebroeders Leeuwenhart, dat zijn Jonatan en Karel Leeuw. Jonatan is een mooie, sterke en moedige jongen van 13, Karel zijn ziekelijke 10-jarige broertje, dat niet lang meer te leven heeft. Karel wordt door Jonatan getroost, als hij vertelt dat hij bang is om te sterven. Volgens Jonatan hoeft hij niet bang te zijn, als je sterft ga je immers naar Nangijala.
“‘Hoe kan het zo erg zijn?’ vroeg ik. ‘Hoe kan het zo erg zijn dat sommige mensen nog vóór ze tien jaar zijn, dood moeten gaan?’ ‘Hoor eens, Kruimel, ik geloof niet dat het zo erg is,’ zei Jonatan. ‘Ik geloof dat je het fijn krijgt.’ ‘Fijn,’ vroeg ik. ‘Is het soms fijn om onder de grond te liggen en dood te zijn!’ ‘Natuurlijk niet,’ zei Jonatan, maar het is eigenlijk alleen je schild die daar ligt. Zelf vlieg je heel ergens anders heen.’ ‘Waarheen dan?’ vroeg ik, want ik kon hem nauwelijks geloven. ‘Naar Nangijala,’ zei hij. Naar Nangijala - dat verkondigde hij op een toon alsof ieder mens wist wat hij ermee bedoelde. Maar ik had er nog nooit van gehoord. ‘Nangijala,’ zei ik, ‘waar ligt dat?’ Toen zei Jonatan dat hij dat niet precies wist. Maar hij wist wel dat het voorbij de sterren was. En toen begon hij zoveel over Nangijala te vertellen, dat ik bijna zin kreeg om er meteen naartoe te vliegen. ‘Daar leven ze nog in de tijd van de kampvuren en de sprookjes,’zei hij, ‘en dat vind je vast fijn.’” p. 6
De verwachting is natuurlijk dat Karel eerst naar Nangijala zal vliegen en dat Jonatan jaren later zal volgen. Maar bij een brand in hun woning, waarbij Jonatan Karel redt door met hem op zijn rug het raam uit te springen, overlijdt hij als eerste. En Karel blijft diepbedroefd achter.
Maar niet voor lang, een maand of 2 later vliegt ook Karel naar Nangijla, naar de Ruiterhoeve in het Kersendal. En daar ontmoet hij Jonatan weer. Hij is ineens niet meer ziek, kan zwemmen, paardrijden en avonturen beleven. Alles, wat hij in het echte leven zo gemist heeft.
Al snel blijkt het leven in Nangijala echter niet zo sprookjesachtig als gedacht. Het Bramendal is in handen van een afschuwelijke vijand, Tengil, die samen met zijn draak Katla de bevolking daar in zijn greep houdt. Jonatan voert met zijn vrienden strijd om het Bramendal te bevrijden, maar wordt tegengewerkt door een verrader in het Kersendal.
Na een heleboel spannende avonturen, waarbij Karel de verrader ontmaskert, worden Tengil en Katla verslagen en wordt het Bramendal bevrijd. Echter niet zonder dat er dodelijke slachtoffers onder de vrienden van Jonatan en Karel zijn gevallen en Jonatan door een vlam van de draak Katla is geraakt.
“Hij legde me uit hoe wreed Katla’s vuur was. Als het niet dodelijk was, dan deed het iets veel ergers. Het maakte iets in je kapot, zodat je verlamd werd. Je merkte het niet meteen, maar het kwam tergend langzaam over je, onverbiddelijk. “Ik kan nu alleen mijn armen nog maar bewegen, ‘ zei hij. ‘En straks kan ik dat ook niet meer.’ ‘Maar denk je niet dat het over kan gaan?’ snikte ik. ‘Nee Kruimel, het gaat niet over,’ zei Jonatan. ‘Alleen als ik in Nangilima zou kunnen komen!’” p. 204
Nangilima, waar ze nog leven in de tijd van de kampvuren en de sprookjes. En deze keer geen wrede sprookjes. Nee, Nangilima is een plek waar de mensen spelen en dansen en zingen.
Om hier te komen, moeten Jonatan en Karel de grote sprong in de afgrond maken. Jonatan kan het niet meer, hij is inmiddels helemaal verlamd. En Karel? Karel neemt Jonatan op zijn rug, zoals zijn broer ooit hem op zijn rug nam en hij springt. Is hij bang? Ja, heel erg. Maar hij doet het toch.
“Ja, als je het nu niet durft, dan ben je een lor en dan zul je ook altijd een lor blijven. Ik liep terug naar Jonatan. ‘Ja ik durf het’, zei ik. ‘Kleine dappere Kruimel,’ zei hij. ‘Doe het nu dan maar!’. ‘Ik wil eerst eventjes bij jou zitten,’ zei ik. ‘Maar niet te lang,’ zei Jonatan. ‘Nee, alleen tot het helemaal donker is,’ zei ik. ‘Zodat ik niets kan zien’.” p. 207
Een ontroerend boek over broederliefde, vriendschap en moed. Over dingen doen die je eigenlijk niet durft. Omdat het goed is.
En mijn W en S? Die lezen nu tegelijkertijd het boek, dat ik al jaren in de kast had staan. Om en om. Ze vinden het prachtig. En ze willen graag nog eens met me naar het theater......
Een aantal weken geleden las ik dat er in het theater bij ons in het dorp een kindervoorstelling over De gebroeders Leeuwenhart zou komen. Leuk, dacht ik. Waarna ik natuurlijk geen kaartjes bestelde. Want te druk, teveel gedoe, te.... Toen ik het er toch nog eens over had met buurvrouw M én er die week flyers in de bibliotheek lagen, werd ik toch wel erg enthousiast en bestelde ik drie kaartjes: voor mij en voor zonen W en S.
Helemaal blij werd ik er van. Dat moesten de jongens horen! “Oh....wel een beetje saai, een theater....”. En (nog veel erger): “Maar dan missen we Top Gear op TV!”. Wat een cultuurbarbaren die jongens van mij...
Maar daar gingen we uiteindelijk toch, vorige week vrijdagavond. W, S en ik. Toch wel een beetje opgewonden alle drie. W en S vooral vanwege de cola die in het vooruitzicht was gesteld, ik omdat ik hoopte dat de voorstelling mijn herinneringen eer aan zou doen.
En wat was het mooi! Vijf kwartier lang hebben we gefascineerd zitten kijken naar 5 acteurs die met slechts een paar hulpmiddelen en een pop een fantastische voorstelling neerzetten. Magisch en wonderlijk. Prachtig! Zo levensecht, dat op het eind, bij het gevecht tussen de draak Katla en de reuzenslang Karm S snel van stoel wisselde met W, zodat hij naast mij kon zitten. Toch wel een beetje eng!
De gebroeders Leeuwenhart, dat zijn Jonatan en Karel Leeuw. Jonatan is een mooie, sterke en moedige jongen van 13, Karel zijn ziekelijke 10-jarige broertje, dat niet lang meer te leven heeft. Karel wordt door Jonatan getroost, als hij vertelt dat hij bang is om te sterven. Volgens Jonatan hoeft hij niet bang te zijn, als je sterft ga je immers naar Nangijala.
“‘Hoe kan het zo erg zijn?’ vroeg ik. ‘Hoe kan het zo erg zijn dat sommige mensen nog vóór ze tien jaar zijn, dood moeten gaan?’ ‘Hoor eens, Kruimel, ik geloof niet dat het zo erg is,’ zei Jonatan. ‘Ik geloof dat je het fijn krijgt.’ ‘Fijn,’ vroeg ik. ‘Is het soms fijn om onder de grond te liggen en dood te zijn!’ ‘Natuurlijk niet,’ zei Jonatan, maar het is eigenlijk alleen je schild die daar ligt. Zelf vlieg je heel ergens anders heen.’ ‘Waarheen dan?’ vroeg ik, want ik kon hem nauwelijks geloven. ‘Naar Nangijala,’ zei hij. Naar Nangijala - dat verkondigde hij op een toon alsof ieder mens wist wat hij ermee bedoelde. Maar ik had er nog nooit van gehoord. ‘Nangijala,’ zei ik, ‘waar ligt dat?’ Toen zei Jonatan dat hij dat niet precies wist. Maar hij wist wel dat het voorbij de sterren was. En toen begon hij zoveel over Nangijala te vertellen, dat ik bijna zin kreeg om er meteen naartoe te vliegen. ‘Daar leven ze nog in de tijd van de kampvuren en de sprookjes,’zei hij, ‘en dat vind je vast fijn.’” p. 6
De verwachting is natuurlijk dat Karel eerst naar Nangijala zal vliegen en dat Jonatan jaren later zal volgen. Maar bij een brand in hun woning, waarbij Jonatan Karel redt door met hem op zijn rug het raam uit te springen, overlijdt hij als eerste. En Karel blijft diepbedroefd achter.
Maar niet voor lang, een maand of 2 later vliegt ook Karel naar Nangijla, naar de Ruiterhoeve in het Kersendal. En daar ontmoet hij Jonatan weer. Hij is ineens niet meer ziek, kan zwemmen, paardrijden en avonturen beleven. Alles, wat hij in het echte leven zo gemist heeft.
Al snel blijkt het leven in Nangijala echter niet zo sprookjesachtig als gedacht. Het Bramendal is in handen van een afschuwelijke vijand, Tengil, die samen met zijn draak Katla de bevolking daar in zijn greep houdt. Jonatan voert met zijn vrienden strijd om het Bramendal te bevrijden, maar wordt tegengewerkt door een verrader in het Kersendal.
Na een heleboel spannende avonturen, waarbij Karel de verrader ontmaskert, worden Tengil en Katla verslagen en wordt het Bramendal bevrijd. Echter niet zonder dat er dodelijke slachtoffers onder de vrienden van Jonatan en Karel zijn gevallen en Jonatan door een vlam van de draak Katla is geraakt.
“Hij legde me uit hoe wreed Katla’s vuur was. Als het niet dodelijk was, dan deed het iets veel ergers. Het maakte iets in je kapot, zodat je verlamd werd. Je merkte het niet meteen, maar het kwam tergend langzaam over je, onverbiddelijk. “Ik kan nu alleen mijn armen nog maar bewegen, ‘ zei hij. ‘En straks kan ik dat ook niet meer.’ ‘Maar denk je niet dat het over kan gaan?’ snikte ik. ‘Nee Kruimel, het gaat niet over,’ zei Jonatan. ‘Alleen als ik in Nangilima zou kunnen komen!’” p. 204
Nangilima, waar ze nog leven in de tijd van de kampvuren en de sprookjes. En deze keer geen wrede sprookjes. Nee, Nangilima is een plek waar de mensen spelen en dansen en zingen.
Om hier te komen, moeten Jonatan en Karel de grote sprong in de afgrond maken. Jonatan kan het niet meer, hij is inmiddels helemaal verlamd. En Karel? Karel neemt Jonatan op zijn rug, zoals zijn broer ooit hem op zijn rug nam en hij springt. Is hij bang? Ja, heel erg. Maar hij doet het toch.
“Ja, als je het nu niet durft, dan ben je een lor en dan zul je ook altijd een lor blijven. Ik liep terug naar Jonatan. ‘Ja ik durf het’, zei ik. ‘Kleine dappere Kruimel,’ zei hij. ‘Doe het nu dan maar!’. ‘Ik wil eerst eventjes bij jou zitten,’ zei ik. ‘Maar niet te lang,’ zei Jonatan. ‘Nee, alleen tot het helemaal donker is,’ zei ik. ‘Zodat ik niets kan zien’.” p. 207
Een ontroerend boek over broederliefde, vriendschap en moed. Over dingen doen die je eigenlijk niet durft. Omdat het goed is.
En mijn W en S? Die lezen nu tegelijkertijd het boek, dat ik al jaren in de kast had staan. Om en om. Ze vinden het prachtig. En ze willen graag nog eens met me naar het theater......
vrijdag 10 februari 2012
De Charmeur - Jan en Sanne Terlouw
Later als ik groot ben, word ik privé detective. Of forensisch psycholoog. Ik ga allerlei ingewikkelde misdaden oplossen en ben stoer en moedig.
Elke keer als ik lees over mensen die dat echt doen, wil ik dat ook. Avonturen meemaken, spannende dingen doen. Kennen jullie de boeken van Sue Grafton over Kinsey Millhone, een eigenzinnige privé detective uit Santa Barbara? Haar boeken volgen het alfabet: A is Alibi, B staat voor Bedrog, C staat voor Crimineel. Ze is inmiddels tot en met de U gekomen. Leuk zijn die! En dan heb je de Kay Scarpetta reeks van Patricia Cornwell. De grote misdaden oplosser is deze keer een forensisch pathaloog-anatoom (mij net iets te eng en te akelig overigens). Samen met haar hyperintelligente nichtje, een norse rechercheur die in het geheim verliefd op haar is en haar partner - forensisch psycholoog bij de FBI - lost ze de meest waanzinnige moordzaken op. En dan natuurlijk de Millennium reeks, ik heb hem al eerder genoemd geloof ik. Deel 1, waarin journalist (oh, dat kan natuurlijk ook nog, even onthouden) Mikael Blomkvist de verdwijning van een 16-jarig meisje oplost. Zo’n 40 jaar na dato. Waarbij hij zelf op een haar na aan de dood ontsnapt.
Maar goed, zolang ik als brave burger en moeder van 3 in een Vinex wijk woon, mijn dagen vullend met werk, zorgen, lezen en allerlei dingen die heel veel tijd kosten en niet zo spannend zijn, blijf ik nog even dromen.
De Charmeur van vader en dochter Terlouw gaat over Job Rekers, een 48-jarige man die net vrij is uit de gevangenis, waar hij 7 jaar onschuldig heeft gezeten. Zijn twintigjarige dochter Leonie, die hem al die jaren niet heeft gezien, zoekt weer contact met hem en ze kunnen het wonderwel vinden samen. Zo goed, dat zij bij hem intrekt.
Elke keer als ik lees over mensen die dat echt doen, wil ik dat ook. Avonturen meemaken, spannende dingen doen. Kennen jullie de boeken van Sue Grafton over Kinsey Millhone, een eigenzinnige privé detective uit Santa Barbara? Haar boeken volgen het alfabet: A is Alibi, B staat voor Bedrog, C staat voor Crimineel. Ze is inmiddels tot en met de U gekomen. Leuk zijn die! En dan heb je de Kay Scarpetta reeks van Patricia Cornwell. De grote misdaden oplosser is deze keer een forensisch pathaloog-anatoom (mij net iets te eng en te akelig overigens). Samen met haar hyperintelligente nichtje, een norse rechercheur die in het geheim verliefd op haar is en haar partner - forensisch psycholoog bij de FBI - lost ze de meest waanzinnige moordzaken op. En dan natuurlijk de Millennium reeks, ik heb hem al eerder genoemd geloof ik. Deel 1, waarin journalist (oh, dat kan natuurlijk ook nog, even onthouden) Mikael Blomkvist de verdwijning van een 16-jarig meisje oplost. Zo’n 40 jaar na dato. Waarbij hij zelf op een haar na aan de dood ontsnapt.
Maar goed, zolang ik als brave burger en moeder van 3 in een Vinex wijk woon, mijn dagen vullend met werk, zorgen, lezen en allerlei dingen die heel veel tijd kosten en niet zo spannend zijn, blijf ik nog even dromen.
De Charmeur van vader en dochter Terlouw gaat over Job Rekers, een 48-jarige man die net vrij is uit de gevangenis, waar hij 7 jaar onschuldig heeft gezeten. Zijn twintigjarige dochter Leonie, die hem al die jaren niet heeft gezien, zoekt weer contact met hem en ze kunnen het wonderwel vinden samen. Zo goed, dat zij bij hem intrekt.
En dan vraagt een vriendin van Leonie hen om hulp. Een goede vriend van deze vriendin, de charmante Gerard Brandenburg, is overleden. Wat volgens de politie een typisch geval van pech is (epilepsie aanval, met het hoofd tegen de hoek van een tafeltje, dood) is volgens haar een moord. En Job en Leonie gaan op onderzoek uit. De brave Gerard blijkt helemaal geen lieverdje te zijn geweest en de ene na de andere verdachte komt in beeld. Uiteindelijk weten ze de moord op een slimme manier op te lossen en detectivebureau Rekers en Rekers is geboren.
Leuk boek, redelijk spannend, met een heel sympathieke Job in de hoofdrol. Ondanks die 7 jaar onschuldige opsluiting is hij een blijmoedig en positief mens gebleven.
Dat het niet het beste boek is dat ik ooit heb gelezen, blijkt wel uit het feit dat ik zo op ¾ van het boek een scene las waarbij ik me ineens realiseerde dat ik het boek al kende..... Toch wel heel ernstig dat dat pas toen tot me doordrong. Het was zo’n 3,5 jaar geleden, bij vriendin C. in de woonkamer, terwijl een stuk of 8 kinderen in diezelfde woonkamer aan het spelen waren. Nou kan het aan die kinderen liggen, dat ik het boek niet heel aandachtig las. Of aan het feit dat we ons nieuwe huis aan het opknappen waren en ik voor de 3e opeenvolgende week met kids in andersmans huis logeerde (wat niet erg bevorderlijk is voor je concentratie en je humeur kan ik je vertellen). Allemaal mogelijk. Maar echt reclame voor de familie Terlouw is het natuurlijk niet .....
vrijdag 3 februari 2012
Staal - Silvia Avallone
Weten jullie nog hoe dat was? Dertien zijn? Ik was dertien toen ik voor het eerst naar Italië op vakantie ging. En hé, er werd naar me gekeken. Naar mijn blonde haar en mijn bruine benen. Niet onbelangrijk hierbij was wel dat ik op het strand mijn bril (modelletje Lous Haasdijk) niet droeg. Maar toch. Dit had ik in Nederland nog niet eerder meegemaakt. Spannend hoor.
Drie jaar later weer naar Italië, voor de laatste keer met mijn ouders op vakantie. Hartsvriendin C. ging mee (en de bril was inmiddels vervangen door lenzen....). Wat hebben we gelachen om die uitslovertjes, die op het strand onze aandacht probeerden te trekken. En zo groen als gras als we waren, wisten we toch precies hoe we op de boulevard nog even over onze schouder moesten kijken als we weer zo’n groepje jongens passeerden.
Vaderlief kon dat overigens totaal niet waarderen. Man, wat een stennis kon hij maken. Wat uiteindelijk uitmondde in een woedend “Nog één keer en dan rijden we vanavond nog terug naar Nederland!” Doodsbang als hij was dat die hitsige Italianen zich aan zijn meiden zouden vergrijpen.
In Staal van Silvia Avallone zijn die jongens ook echt allemaal hitsig en slechts op één ding uit. De meiden overigens ook...
“Jij bent toch zo gek op alles over Italië? Léés dan nou eindelijk eens Staal”, riep collega S. maanden geleden al. En oh, wat had ze gelijk! Wat een ongelooflijk prachtig, gevoelig en broeierig boek. Over de dertienjarige vriendinnen Anna en Francesca, die in een vreselijk troosteloze omgeving opgroeien. Een uitzichtloosheid die zo ontzettend voelbaar is in het boek, dat je er treurig van zou worden. Intelligentie? Toekomstdromen? Welnee. Het enige waar je in deze omgeving wat aan hebt is een uiterlijk waarmee je kunt koketteren en uitdagen. In de hoop één van die mooie, stoere jongens te strikken.
Het toekomstbeeld van de jongens is een baan in de grote staalfabriek, die van de meisjes een plek achter de kassa in de plaatselijke COOP. Waarna ze zwanger worden op hun 18e en er uit gaan zien als hun moeders, die de hele dag lopen te sloven en te koken en te dweilen. Weg is de frisheid, weg de aantrekkelijkheid.
“Ook de meiden hadden losse handjes. Ze hadden vooral losse handjes als er een knappe gozer in het spel was, zoals Alessio. De zomer was hun kans, dan paradeerden ze met loshangend haar over de loopplanken tussen de kleedhokjes. Voor wie het zich kon permitteren, voor wie er de leeftijd en het lijf voor had. Liefde in het donkere kleedhokje. Zonder erbij na te denken, zonder condoom, en wie zwanger werd en hem wist te strikken, had gewonnen.” p. 20
Anna en Francesca zijn hartsvriendinnen. Bloedmooi en inmens populair (bij de jongens dan, de meiden kunnen hun bloed wel drinken) weten ze alle hoofden op hol te brengen. Thuis is het allesbehalve veilig en met hun ontluikende seksualiteit weten ze buiten, op straat en op het strand, een plek te creëren waar zij het middelpunt van aandacht zijn. Waarbij ze ware explosies van testosteron op gang weten te brengen.
Ze zijn onlosmakelijk verbonden, tot op een gegeven moment de liefde opduikt en hun hechte vriendschap op losse schroeven komt te staan. Ze moeten allebei positie bepalen en hun levens lijken even helemaal uit elkaar te groeien. Maar de vriendschap en liefde tussen de meisjes blijkt uiteindelijk sterk genoeg.
Maar oh die troosteloosheid. Die zo ontzettend voelbaar is.
Een huisarts, die geen vragen stelt bij de zoveelste verwondingen.
“Hij wilde geen gedoe met die lui. Iedereen wist dat het beesten waren. En hij was gewoon basisarts, geen maatschappelijk werker, geen politieagent. Trouwens, er zou toch nooit iets veranderen”. p. 53
De jongens die stijf van de cocaïne hun opgevoerde auto over de weg sturen, op weg naar de zoveelste avond in een discotheek. Voor anonieme sex en nog meer drugs.
“Hij scheurde van de Tolla omlaag. Nee, ze zouden hem nooit ontslaan. Omlaag naar de Aurelia, samen met duizenden andere auto’s tijdens hun zaterdagavondrace, op weg naar de Tartana die werd bestormd door Duitse toeristes, naar de warme blanke boezem van een meisje, elk willekeurig meisje, waarop hij zich kon neervlijen en zijn rade kon beëindigen. Alessio reed als een gek en Cristiano bewoon zijn hoofd op het ritme van het gebonk.” p. 90
De moeders, die er op hun 34e uitzien als oude vrouwen en die hun echtgenoten haten, maar toch geen scheiding aan durven te gaan.
“Ze tilde het teiltje op en goot het leeg in de gootsteen op het balkon, haar ogen strak gericht op de zwarte klonters in de draaikolk boven de afvoer. Ze zou hem het liefst zien doodgaan, dat hij omlaag zou donderen en zieltogend op de grond bleef liggen.” …... “En dan met de auto over hem heen rijden, hem vermorzelen op het asfalt, tot er niets meer van hem overbleef dan een brij, dan de worm die hij was”. p. 14
En steeds, door het hele verhaal heen, op de achtergrond de dreigende aanwezigheid van die enorme staalfabriek. Een bonkend, gloeiend heet monster dat sist en spuwt, opslokt en verplettert.
Afgelopen zomer waren we er nog, in Toscane, niet zo ver van Piombino. Genietend van het heerlijk Italiaanse eten, van de zon, van “il dolce far niente”. Ik vrees dat ik, de volgende keer dat ik door de pijnbomen richting het strand loop, toch een iets andere kijk op mijn omgeving zal hebben...
Drie jaar later weer naar Italië, voor de laatste keer met mijn ouders op vakantie. Hartsvriendin C. ging mee (en de bril was inmiddels vervangen door lenzen....). Wat hebben we gelachen om die uitslovertjes, die op het strand onze aandacht probeerden te trekken. En zo groen als gras als we waren, wisten we toch precies hoe we op de boulevard nog even over onze schouder moesten kijken als we weer zo’n groepje jongens passeerden.
Vaderlief kon dat overigens totaal niet waarderen. Man, wat een stennis kon hij maken. Wat uiteindelijk uitmondde in een woedend “Nog één keer en dan rijden we vanavond nog terug naar Nederland!” Doodsbang als hij was dat die hitsige Italianen zich aan zijn meiden zouden vergrijpen.
In Staal van Silvia Avallone zijn die jongens ook echt allemaal hitsig en slechts op één ding uit. De meiden overigens ook...
“Jij bent toch zo gek op alles over Italië? Léés dan nou eindelijk eens Staal”, riep collega S. maanden geleden al. En oh, wat had ze gelijk! Wat een ongelooflijk prachtig, gevoelig en broeierig boek. Over de dertienjarige vriendinnen Anna en Francesca, die in een vreselijk troosteloze omgeving opgroeien. Een uitzichtloosheid die zo ontzettend voelbaar is in het boek, dat je er treurig van zou worden. Intelligentie? Toekomstdromen? Welnee. Het enige waar je in deze omgeving wat aan hebt is een uiterlijk waarmee je kunt koketteren en uitdagen. In de hoop één van die mooie, stoere jongens te strikken.
Het toekomstbeeld van de jongens is een baan in de grote staalfabriek, die van de meisjes een plek achter de kassa in de plaatselijke COOP. Waarna ze zwanger worden op hun 18e en er uit gaan zien als hun moeders, die de hele dag lopen te sloven en te koken en te dweilen. Weg is de frisheid, weg de aantrekkelijkheid.
“Ook de meiden hadden losse handjes. Ze hadden vooral losse handjes als er een knappe gozer in het spel was, zoals Alessio. De zomer was hun kans, dan paradeerden ze met loshangend haar over de loopplanken tussen de kleedhokjes. Voor wie het zich kon permitteren, voor wie er de leeftijd en het lijf voor had. Liefde in het donkere kleedhokje. Zonder erbij na te denken, zonder condoom, en wie zwanger werd en hem wist te strikken, had gewonnen.” p. 20
Anna en Francesca zijn hartsvriendinnen. Bloedmooi en inmens populair (bij de jongens dan, de meiden kunnen hun bloed wel drinken) weten ze alle hoofden op hol te brengen. Thuis is het allesbehalve veilig en met hun ontluikende seksualiteit weten ze buiten, op straat en op het strand, een plek te creëren waar zij het middelpunt van aandacht zijn. Waarbij ze ware explosies van testosteron op gang weten te brengen.
Ze zijn onlosmakelijk verbonden, tot op een gegeven moment de liefde opduikt en hun hechte vriendschap op losse schroeven komt te staan. Ze moeten allebei positie bepalen en hun levens lijken even helemaal uit elkaar te groeien. Maar de vriendschap en liefde tussen de meisjes blijkt uiteindelijk sterk genoeg.
Maar oh die troosteloosheid. Die zo ontzettend voelbaar is.
Een huisarts, die geen vragen stelt bij de zoveelste verwondingen.
“Hij wilde geen gedoe met die lui. Iedereen wist dat het beesten waren. En hij was gewoon basisarts, geen maatschappelijk werker, geen politieagent. Trouwens, er zou toch nooit iets veranderen”. p. 53
De jongens die stijf van de cocaïne hun opgevoerde auto over de weg sturen, op weg naar de zoveelste avond in een discotheek. Voor anonieme sex en nog meer drugs.
“Hij scheurde van de Tolla omlaag. Nee, ze zouden hem nooit ontslaan. Omlaag naar de Aurelia, samen met duizenden andere auto’s tijdens hun zaterdagavondrace, op weg naar de Tartana die werd bestormd door Duitse toeristes, naar de warme blanke boezem van een meisje, elk willekeurig meisje, waarop hij zich kon neervlijen en zijn rade kon beëindigen. Alessio reed als een gek en Cristiano bewoon zijn hoofd op het ritme van het gebonk.” p. 90
De moeders, die er op hun 34e uitzien als oude vrouwen en die hun echtgenoten haten, maar toch geen scheiding aan durven te gaan.
“Ze tilde het teiltje op en goot het leeg in de gootsteen op het balkon, haar ogen strak gericht op de zwarte klonters in de draaikolk boven de afvoer. Ze zou hem het liefst zien doodgaan, dat hij omlaag zou donderen en zieltogend op de grond bleef liggen.” …... “En dan met de auto over hem heen rijden, hem vermorzelen op het asfalt, tot er niets meer van hem overbleef dan een brij, dan de worm die hij was”. p. 14
En steeds, door het hele verhaal heen, op de achtergrond de dreigende aanwezigheid van die enorme staalfabriek. Een bonkend, gloeiend heet monster dat sist en spuwt, opslokt en verplettert.
Afgelopen zomer waren we er nog, in Toscane, niet zo ver van Piombino. Genietend van het heerlijk Italiaanse eten, van de zon, van “il dolce far niente”. Ik vrees dat ik, de volgende keer dat ik door de pijnbomen richting het strand loop, toch een iets andere kijk op mijn omgeving zal hebben...
vrijdag 20 januari 2012
Bonita Avenue - Peter Buwalda
Toen wij een aantal jaren geleden in Polen gingen wonen (waar ze een taal spreken die, nou, laten we zeggen dat het niet voor niets is dat de bedenker van het Esperanto een Pool was) realiseerde ik me dat taal voor mij (en waarschijnlijk voor ieder van ons) van wezenlijk belang is. Contact maken met anderen, goede gesprekken voeren maar ook wat nietszeggend zinnen uitwisselen met een mede-wachtende in de rij bij de kassa. Een praatje met de buurman, in de supermarkt kunnen vragen waar de koekjes liggen of informatie kunnen aanvragen over de dagen waarop het huisvuil wordt opgehaald..... allemaal dingen die het leven leuk of makkelijk maken. En wat is dat lastig als je de taal niet goed spreekt!
Na een tijdje merkte ik echter dat hoewel taal alles kan zijn, het tegelijkertijd ook niks is. Heel wezenlijk, maar soms van totaal ondergeschikt belang. Het gaat om het willen begrijpen van elkaar, het contact willen maken. Hoe dan ook.
Nadat we eventjes op ons nieuwe plek woonden, bedacht ik me dat het toch wel zo aardig was om even met de buren kennis te maken. Die zagen ineens een buitenlandse auto voor de deur en van die blonde jongetjes door de tuin rennen. Dus uitgerust met een bord vol stroopwafels en speculaasjes (tja, je moet toch wat) en zoontjes W. en S. naast me (broertje M. moest nog gemaakt worden) belde ik aan. Om even kort te zeggen wie we waren, waar we vandaag kwamen, met heel hartelijke groeten. In zinnen die ik thuis, met het woordenboek in de hand, goed had ingeprent. Maar zo makkelijk kwamen we daar niet mee weg! Buurvrouw deed open en we moesten en zouden binnen komen. Ik nog zeggen (het was meer gebaren eigenlijk....) dat we nauwelijks Pools konden, maar dat was geen enkel probleem. Ze riep manlief uit de tuin en met zijn allen gingen we naar binnen. Ik heb alle fotoalbums van de kinderen en kleinkinderen bekeken en met handen en voeten kwamen we een heel eind met de kennismaking. De jongens (die normaal gesproken allang hadden geroepen dat ze naar huis wilden) hielden wijselijk hun mond. Ze kregen beiden namelijk een hele reep chocola die hélémaal op mocht. Tjomp tjomp tjomp, die hoefden geen eten meer ‘s avonds.
Wat een warme mensen, deze buurvrouw en buurman op leeftijd. Zonder enige twijfel openden ze hun huis voor ons, mensen die ze helemaal niet kenden, uit een ander land en met wie ze op het eerste gezicht helemaal niets gemeen hadden.
En zo kan ik nog veel meer voorbeelden geven. Over onze lieve oppas I. Een aantal jaren jonger dan ik, maar met grote zoons al, die ik via een andere buurvrouw had gevonden. Geen woord Engels (of welke andere taal dan ook), maar bij de kennismaking was er een klik die nooit meer is overgegaan. Wat wilden we elkaar graag begrijpen.
En over die eerste dag, de dag van het verhuizen zelf, toen ik ten einde raad bij een grote supermarkt stond en bleek dat ik niet genoeg geld bij me had en dat ik met mijn Nederlandse pas wel kon pinnen uit de automaat maar niet bij de kassa. De kassajuffrouw begreep me niet en ging me ook niet begrijpen, dat was wel duidelijk. Half overspannen van het afscheid die dag ervoor in Nederland, de lange rit, het verhuizen en 2 dodelijk vermoeide jongetjes riep ik tenslotte vertwijfeld uit “Is here anyone who speaks English??” Iedereen keek me aan (en in een supermarkt met 35 kassa’s zijn dat er heel erg veel....) en toen hoorde ik een stuk of 5 kassa’s verderop iemand zeggen “Ich spreche Deutsch”. Aaaaaargh, zelden zo blij geweest. Hij liet zijn spullen staan, kwam onze kant op en in een paar minuten was alles duidelijk en geregeld.
Blij word ik van zulke mensen.
Maar goed, jullie komen hier natuurlijk ook om iets te weten te komen over de boeken die ik lees.... Toch...? In mijn vorige blog heb ik jullie beloofd uitgebreid te schrijven over “Het negende schrift van Maya” van Isabel Allende. Nou, dat ga ik dus niet doen.... Normaal gesproken roepen boeken van Allende me de hele dag toe vanaf de plek waar ze liggen. “Kom, Do, een stukje lezen” of “Wil je niet weten hoe het verder gaat? Eventjes dan?” Nou, dit boek zei me niets en riep me nooit. En toen ik tegen woensdag bedacht dat ik hem nog moest uitlezen en er ook nog over moest schrijven, heb ik besloten te stoppen met lezen en “Bonita Avenue” te pakken. Die lag namelijk al wel een tijdje tegen me aan te praten.
Vandaar dat ik er vorige week dan ook niet was. “Bonita Avenue” is behoorlijk dik. Wel jammer overigens, want bijna alle andere boeken van Allende (Het oneindige plan! Inés, vrouw van mijn hart! Paula! Het huis met de geesten! Liefde en Schaduw! En zo kan ik nog wel even doorgaan....) zijn prachtige verhalen, super vertellingen. Misschien ben ik inmiddels gewoon een beetje Allende-moe.
Maar dan “Bonita Avenue”. Jongens, jongens, wat genieten! Het is het debuut van Peter Buwalda en de recensies liegen er niet om. “Verbijsterend vakmanschap”, “Weergaloos meeslepend” en “Beste debuut van het jaar”. En weet je, het is helemaal en totaal verdiend. Wat een verhaallijn en wat een mooi taalgebruik. Smullen!
Siem Sigerius is een briljant wiskundige. Als rector magnificus van Tubantia University, een kleine universiteit in Enschede, leeft hij een heerlijk leven in een mooie boerderij in de bossen rond de campus, met zijn vrouw Tineke en zijn dochters Joni en Janis. Met Joni en haar vriend Aaron heeft hij een speciale band en het boek gaat voornamelijk over deze driehoeksrelatie. Langzamerhand komen er echter scheurtjes in het mooie leven van Siem. Er is een zoon uit een eerder huwelijk, een bajesklant, die uit de gevangenis komt en het leven van de familie Sigerius weer binnen komt lopen. En Siem komt er achter dat zijn intelligente en wondermooie dochter Joni, die de hele wereld voor zich open heeft liggen en zou kunnen worden wat ze wil, samen met Aaron met zaken bezig is die het daglicht niet verdragen. En als hij dan staatssecretaris wordt, wordt het lastig deze geheimen ook echt geheim te houden.
Man man, wat mooi. En het feit dat ik Enschede wel een beetje ken en geregeld bekende straatnamen en wijken voorbij zag komen, was een erg leuke bijkomstigheid.
Na een tijdje merkte ik echter dat hoewel taal alles kan zijn, het tegelijkertijd ook niks is. Heel wezenlijk, maar soms van totaal ondergeschikt belang. Het gaat om het willen begrijpen van elkaar, het contact willen maken. Hoe dan ook.
Nadat we eventjes op ons nieuwe plek woonden, bedacht ik me dat het toch wel zo aardig was om even met de buren kennis te maken. Die zagen ineens een buitenlandse auto voor de deur en van die blonde jongetjes door de tuin rennen. Dus uitgerust met een bord vol stroopwafels en speculaasjes (tja, je moet toch wat) en zoontjes W. en S. naast me (broertje M. moest nog gemaakt worden) belde ik aan. Om even kort te zeggen wie we waren, waar we vandaag kwamen, met heel hartelijke groeten. In zinnen die ik thuis, met het woordenboek in de hand, goed had ingeprent. Maar zo makkelijk kwamen we daar niet mee weg! Buurvrouw deed open en we moesten en zouden binnen komen. Ik nog zeggen (het was meer gebaren eigenlijk....) dat we nauwelijks Pools konden, maar dat was geen enkel probleem. Ze riep manlief uit de tuin en met zijn allen gingen we naar binnen. Ik heb alle fotoalbums van de kinderen en kleinkinderen bekeken en met handen en voeten kwamen we een heel eind met de kennismaking. De jongens (die normaal gesproken allang hadden geroepen dat ze naar huis wilden) hielden wijselijk hun mond. Ze kregen beiden namelijk een hele reep chocola die hélémaal op mocht. Tjomp tjomp tjomp, die hoefden geen eten meer ‘s avonds.
Wat een warme mensen, deze buurvrouw en buurman op leeftijd. Zonder enige twijfel openden ze hun huis voor ons, mensen die ze helemaal niet kenden, uit een ander land en met wie ze op het eerste gezicht helemaal niets gemeen hadden.
En zo kan ik nog veel meer voorbeelden geven. Over onze lieve oppas I. Een aantal jaren jonger dan ik, maar met grote zoons al, die ik via een andere buurvrouw had gevonden. Geen woord Engels (of welke andere taal dan ook), maar bij de kennismaking was er een klik die nooit meer is overgegaan. Wat wilden we elkaar graag begrijpen.
En over die eerste dag, de dag van het verhuizen zelf, toen ik ten einde raad bij een grote supermarkt stond en bleek dat ik niet genoeg geld bij me had en dat ik met mijn Nederlandse pas wel kon pinnen uit de automaat maar niet bij de kassa. De kassajuffrouw begreep me niet en ging me ook niet begrijpen, dat was wel duidelijk. Half overspannen van het afscheid die dag ervoor in Nederland, de lange rit, het verhuizen en 2 dodelijk vermoeide jongetjes riep ik tenslotte vertwijfeld uit “Is here anyone who speaks English??” Iedereen keek me aan (en in een supermarkt met 35 kassa’s zijn dat er heel erg veel....) en toen hoorde ik een stuk of 5 kassa’s verderop iemand zeggen “Ich spreche Deutsch”. Aaaaaargh, zelden zo blij geweest. Hij liet zijn spullen staan, kwam onze kant op en in een paar minuten was alles duidelijk en geregeld.
Blij word ik van zulke mensen.
Maar goed, jullie komen hier natuurlijk ook om iets te weten te komen over de boeken die ik lees.... Toch...? In mijn vorige blog heb ik jullie beloofd uitgebreid te schrijven over “Het negende schrift van Maya” van Isabel Allende. Nou, dat ga ik dus niet doen.... Normaal gesproken roepen boeken van Allende me de hele dag toe vanaf de plek waar ze liggen. “Kom, Do, een stukje lezen” of “Wil je niet weten hoe het verder gaat? Eventjes dan?” Nou, dit boek zei me niets en riep me nooit. En toen ik tegen woensdag bedacht dat ik hem nog moest uitlezen en er ook nog over moest schrijven, heb ik besloten te stoppen met lezen en “Bonita Avenue” te pakken. Die lag namelijk al wel een tijdje tegen me aan te praten.
Vandaar dat ik er vorige week dan ook niet was. “Bonita Avenue” is behoorlijk dik. Wel jammer overigens, want bijna alle andere boeken van Allende (Het oneindige plan! Inés, vrouw van mijn hart! Paula! Het huis met de geesten! Liefde en Schaduw! En zo kan ik nog wel even doorgaan....) zijn prachtige verhalen, super vertellingen. Misschien ben ik inmiddels gewoon een beetje Allende-moe.
Maar dan “Bonita Avenue”. Jongens, jongens, wat genieten! Het is het debuut van Peter Buwalda en de recensies liegen er niet om. “Verbijsterend vakmanschap”, “Weergaloos meeslepend” en “Beste debuut van het jaar”. En weet je, het is helemaal en totaal verdiend. Wat een verhaallijn en wat een mooi taalgebruik. Smullen!
Siem Sigerius is een briljant wiskundige. Als rector magnificus van Tubantia University, een kleine universiteit in Enschede, leeft hij een heerlijk leven in een mooie boerderij in de bossen rond de campus, met zijn vrouw Tineke en zijn dochters Joni en Janis. Met Joni en haar vriend Aaron heeft hij een speciale band en het boek gaat voornamelijk over deze driehoeksrelatie. Langzamerhand komen er echter scheurtjes in het mooie leven van Siem. Er is een zoon uit een eerder huwelijk, een bajesklant, die uit de gevangenis komt en het leven van de familie Sigerius weer binnen komt lopen. En Siem komt er achter dat zijn intelligente en wondermooie dochter Joni, die de hele wereld voor zich open heeft liggen en zou kunnen worden wat ze wil, samen met Aaron met zaken bezig is die het daglicht niet verdragen. En als hij dan staatssecretaris wordt, wordt het lastig deze geheimen ook echt geheim te houden.
Man man, wat mooi. En het feit dat ik Enschede wel een beetje ken en geregeld bekende straatnamen en wijken voorbij zag komen, was een erg leuke bijkomstigheid.
Abonneren op:
Posts (Atom)